
De sfeer is het intieme, ontsloten, gedeelde ronde dat mensen bewonen, voorzover het hun lukt mensen te worden. Omdat wonen al vanaf het begin het vormen van sferen betekent, zowel in het klein als in het groot, zijn de mensen wezens die ronde werelden creëren en naar horizonten kijken. In sferen leven betekent de dimensie voortbrengen die mensen kan bevatten. Sferen zijn ruimtescheppingen die als immuunsysteem werken, voor extatische wezens die het buiten op zich voelen inwerken.
Niet van de vaten die vol van u zijn krijgt gij uw houvast,
want ook al breken ze, gij wordt niet uitgestort;
en als gij u uitstort over ons, dan ligt gij niet terneer,
maar richt gij ons op; en gij wordt ook niet verspreid, maar gij verzamelt ons.
Aurelius Augustinus, Confessiones, I, 1
Onder de verouderde maar kostbare uitdrukkingen waarmee de metafysica in haar tijd subtiele bruggen bouwde tussen hemel en aarde is er één die nog menig tijdgenoot – niet alleen kunstenaars en hun imitators – van pas komt wanneer hij niet goed weet welke respectabele naam hij moet geven aan de bron waaraan zijn ideeën en invallen ontspringen: namelijk inspiratie. Ook al heeft het woord iets antieks en levert het zijn gebruikers eerder een glimlach op dan erkenning, toch heeft het zijn symbolische glans niet helemaal verloren. Het is nog steeds, zij het ten dele, geschikt om de onduidelijke, andersoortige, exotische herkomst van ideeën en werken te markeren die zich niet laten herleiden tot het simpele toepassen van regels en tot de technische herhaling van bekende patronen van zoeken en vinden. Wie zich op inspiratie beroept, geeft toe dat invallen geen triviale voorvallen zijn die men op elk willekeurig moment kan afdwingen. Hun medium is niet hun gebieder, hun ontvanger niet hun producent. Of het de genius is die de influistering volbrengt, of het toeval die de dobbelstenen liet vallen zoals ze liggen, of het een breuk is in het gangbare begrippenapparaat waardoor iets wat tot dusverre ongedacht bleef in begrippen wordt uitgedrukt, of dat een productieve dwaling het nieuwe tot stand brengt: welke instanties ook als afzender in aanmerking komen, de ontvanger weet elke keer dat hij of zij, los van eigen inspanningen, in zekere zin bezoekers van elders in zijn of haar denken geherbergd heeft. Inspiratie – inblazing, ingeving, verticale inval van de idee, het plotseling opdoemen van het nieuwe; dit concept duidde ooit, toen het nog zonder ironie gebruikt kon worden, op de omstandigheid dat een informerende kracht van superieure aard een menselijk bewustzijn tot zijn mondstuk of klankbodem maakt.
De hemel, zo zouden de metafysici het zeggen, treedt op als informant van de aarde en geeft haar tekens; iets vreemds treedt bij het eigene binnen en doet zich gelden. En hoewel het vreemde tegenwoordig geen verheven, pregnante, metafysische naam meer draagt – niet Apollo, niet Jahwe, niet Gabriël, niet Krishna, niet Xango – is het fenomeen ‘inval’ niet volledig uit de verlichte gezichtskringen verdwenen. Wie invallen krijgt kan zich ook in postmetafysische tijden of tijden met een andere metafysica als gast en matrijs beschouwen van het niet-eigene. Alleen onder verwijzing naar zulke doortochten van het vreemde kan er in onze tijd een houdbaar concept worden geformuleerd van datgene wat de benaming ‘subjectiviteit’ verdient. Zeker, de bezoekers uit den vreemde zijn tegenwoordig anoniem. Ook al verwonderen we er ons vaak over, zoals het schertsenderwijze heet, op wat voor mensen de ideeën komen – aan hun plotselinge komst zelf hoeft degene die de procedure kent niet te twijfelen. Waar ze verschenen zijn nemen we hun aanwezigheid voor kennisgeving aan, zonder ons verder om hun herkomst te bekommeren. Wat plotseling in ons opkomt kan nergens anders vandaan komen dan van daarginds, van buitenaf, uit een ‘buiten’ dat niet per se een ‘aan gene zijde’ hoeft te zijn. We ontvangen onze invallen liever niet meer uit zoiets pijnlijks als de hemel, ze kunnen maar beter afkomstig zijn uit het niemandsland van de onbeheerde precieze gedachten. Doordat hun afzender onbekend is mogen we er vrij gebruik van maken. De inval die iets komt bezorgen, blijft als een discrete bezoeker aan de deur staan. Hij presenteert zichzelf niet als een godsdienst, aangezien die altijd vergezeld gaat van een adhesiebetuiging aan de stichter. Zijn anonimiteit, die door velen als een weldaad wordt ervaren, maakt het mogelijk dat nu eindelijk met behulp van algemene begrippen gezocht kan worden naar het wezen van datgene wat we media noemen. Want wat is een theorie van de media, volgens de regelen van de kunst beoefend, anders dan de theoretische verwerking van regelmatig bezoek, zowel discreet als indiscreet? Boodschappen, afzenders, kanalen, talen – het zijn stuk voor stuk meestal verkeerd begrepen grondbegrippen van een algemene wetenschap van de bezoekbaarheid van iets door iets in iets. We zullen laten zien dat mediatheorie en sferentheorie convergeren. In sferen vormt gedeelde inspiratie de grondslag voor het samen kunnen zijn van mensen in communes en volken. In sferen wordt voor het eerst de hechte band gesmeed tussen de mensen en hun bezielingsmotieven – en bezieling is bezoek dat blijft –, die de grondslag leggen voor solidariteit.
Uit Peter Sloterdijk (1998) Sferen 1. Bellen. Microsferologie. pg. 23

