
Cavarero (Italiaans filosofe) ontwikkelt een filosofisch narratief waarmee Penelope, in de mythe alleen bekend als vrouw van Odysseus, een eigen stem krijgt. Zij ziet in Penelope een vrouw met een verlangen naar een eigen zelfbeeld dat zich aan de patriarchale symbolische orde probeert te ontworstelen. Het weven en ontrafelen van een doek krijgt een betekenis voor het eigen heroïsche verhaal van Penelope.
Uit: Adriana Cavarero (1995): In Spite of Plato
Aan haar weefgetouw weeft en ontrafelt Penelope de stof van haar doek. Penelope is een weefster. Haar taak is te weven, niet te ontrafelen. Als ze ontrafelt, is dat omdat ze zichzelf niet wil overgeven aan haar vrijers. Zolang ze haar huwelijk met een van de mannen die haar huis hebben bezet kan uitstellen, behoort ze niet aan hen, ook al wordt ze belegerd. Daarom ontrafelt ze ’s nachts wat ze overdag heeft geweven, en door dit monotone, ritmische, eindeloze werk, verlengt ze de tijd van haar afzondering.
Zal Odysseus ooit terugkeren? Zijn terugkomst zou (zal) het einde zijn van Penelope’s eindeloze werk. In zekere zin zou het misschien ook het einde van Penelope zelf zijn. Homerus zegt niet (en niemand heeft het ooit gevraagd) of ze, na de terugkeer van Odysseus, uiteindelijk de doek af heeft geweven met een ononderbroken en voltooiend ritme, zonder de arbeid die werd onderbroken en nutteloos gemaakt door het ontrafelen. Dit blijft onbekend en ononderzocht, precies omdat Penelope dit eindeloze werk van weven en ontrafelen ís. Het is een klein verhaal, repetitief en stilstaand, dat het ritme van één enkele plaats weerspiegelt. Haar verblijfplaats is altijd hetzelfde. Het is onveranderlijk, heel ver van de vele verschillende plaatsen van Odysseus’ “grote” verhaal, heel ver verwijderd van zijn omzwervingen door een veelheid aan ervaringen, zijn gretige reizen en rusteloze toekomst.
Zal Odysseus ooit terugkeren? Penelope’s verwachtingen vervagen, ze wordt moe, haar herinnering vervaagt. Misschien is haar echtgenoot dood en is er niets anders voor haar dan om hem te betreuren. Zoals de stof van een twintig jaar oude droom, is de afwezigheid van Odysseus een constante, onophoudelijke achtergrond, niet langer gekenmerkt door de spanning van verwachting. Deze verwachting behoort tot een toekomst die Penelope niet kent, want Penelope weet niets van de “grote geschiedenis” waarin Homerus zijn verhalen over Odysseus vertelt. Penelope houdt zichzelf in het heden en definieert met haar werk een aparte ruimte waar zij aan zichzelf toebehoort. Heel Penelope past in haar kleine verhaal van eindeloos weven en ontrafelen. Het is haar manier om het tempo van een constante herhaling te vertragen, die haar eenzaamheid intact houdt en haar redt van grotere gebeurtenissen. In deze daad van wachten, nu zonder hoop, in deze grote vervreemding van het grote gebeuren dat een einde zou maken aan de tijd van identieke herhaling, stoot de tijd zelf, op het ritme van het weefgetouw, elke gebeurtenis af en maakt die onmogelijk. Het gevreesde huwelijk, net als de inmiddels onwaarschijnlijke terugkeer van haar echtgenoot, zou (zal) de onderbreking markeren van Penelope’s onveranderlijke tempo. Het zou het ritme breken van het weefgetouw dat Penelope zelf vormt. Het zou een einde maken aan de tijd van een toebehoren-aan-zichzelf die ze creëert door een eindeloos proces van weven.
Want de gebeurtenissen waarvoor Penelope terugdeinst met haar eindeloze werk zijn de grote gebeurtenissen van de geschiedenis – de geschiedenis van mannen, van helden. Daarom zijn ze doorgangen naar een geschiedenis die niet de hare is, waar ze geen ruimte zal innemen, maar slechts een plaats in een vreemde symbolische orde. Zo zullen de dingen zijn wanneer Odysseus terugkeert: Penelope zal (weer) de echtgenote zijn van een man die in zijn eigen huis regeert, eindelijk vrij van vijanden en aanvallers. Penelope zal niet langer haar anomale ruimte hebben, haar absurde tempo, het kleine verhaal waar ze een vrouwelijke figuur is die door de Homerische herinnering wordt bewaard.
