Het was laat in de middag in Parijs, begin jaren tachtig, en het regende gestaag op de Boulevard Saint-Germain. Het natte plaveisel glansde onder de straatlantaarns, en in het café aan de overkant van het Collège de France hing een zware geur van koffie, tabak en natte jassen. Michel Foucault zat er, nog steeds met zijn jas aan, het haar vochtig van de regen. Voor hem lag een dunne stapel notities, licht gekreukt alsof ze meermaals in en uit zijn tas waren gehaald.

Tegenover hem, half verscholen in een wolk van Gauloises, zat Gilles Deleuze. Hij leunde achterover, een elleboog op de leuning, en luisterde met de schuine glimlach van iemand die weet dat Michel elk moment zijn eigen valkuil zal aanwijzen — en er misschien zelfs plezier in zal hebben om erin te stappen.

Foucault draaide het kopje tussen zijn vingers en zei zacht, bijna alsof hij een bekentenis deed:
‘Het begon allemaal met Jorge Luis Borges.’

Hij liet een korte stilte vallen, alsof de naam alleen al de ruimte even moest vullen, en vervolgde:
‘Borges haalt een Chinese encyclopedie aan waarin beschreven staat dat de dieren kunnen worden verdeeld in:
a) die de keizer toebehoren,
b) gebalsemde,
c) tamme,
d) speenvarkens,
e) sirenen,
f) fabeldieren,
g) loslopende honden,
h) die in deze indeling voorkomen,
i) die in het rond slaan als gekken,
j) ontelbare,
k) die met een fijn, kameelharen penseeltje getekend zijn,
l) et cetera,
m) die juist een kruik gebroken hebben,
n) die uit de verte op vliegen lijken.’

Hij glimlachte kort, bijna onzichtbaar.
‘De lijst heeft me een hele tijd laten lachen. Maar ik realiseerde me ook dat het iets zei over de onmogelijkheid-om-te-denken. Het is een aanval op de mogelijkheid van denken zelf. Alsof iemand het tapijt onder de voeten van de epistemologie uithaalt. En het feit dat het bovendien een alfabetische reeks is die deze categorieën verbindt, maakt het nog vreemder. Vanaf daar is het eenvoudig: “wat kan ik weten” wordt “wat kan ik zeggen”. Als we geen indeling meer kunnen maken van de dingen in de wereld, dan kunnen we ook geen orde creëren. En onder andere door orde begrijpen we toch alles.’

Deleuze boog iets naar voren, zijn ogen licht samengeknepen, alsof hij het bizarre dierenlijstje opnieuw doorliep in zijn hoofd. Hij nam een trek van zijn sigaret, tikte de as behoedzaam af, en zei:
‘Weet je, Michel, Borges lacht niet alleen om de classificatie. Hij laat ons zien dat elke ordening — hoe arbitrair ook — de wereld meteen een nieuwe huid geeft. Het is geen aanval op het denken zelf, maar op het idee dat denken ooit vrij zou zijn van zijn eigen ordeningsschema’s.’

Hij legde zijn hand vlak op het tafelblad en begon er zacht met zijn wijsvinger op te tikken, alsof hij het ritme van zijn eigen woorden aftastte.
‘Jij wilt de orde in kaart brengen, de archieven, de dispositieven. Ik begrijp dat. Maar soms is de enige manier om te zien hoe het werkt, het te laten ontsporen. Borges toont dat je niet het tapijt hoeft weg te trekken; je hoeft er alleen maar een patroon in te weven dat niemand begrijpt, en het denken begint vanzelf te wankelen.’

Er kwam een brede glimlach op zijn gezicht, een mengeling van ernst en spot.
‘En misschien, Michel, is dat onze taak: niet om een definitieve orde te vinden, maar om zoveel mogelijke orden te laten ontstaan dat er altijd een nieuwe uitweg is. Een buffet zonder menukaart.’

Mede mogelijk gemaakt met AI