
Michel Foucault beschrijft in het eerste hoofdstuk van ‘De woorden en de dingen’ (1966) het schilderij Las Meninas van Velázquez. Wat zien we op het schilderij? Daar staat de schilder te kijken, met zijn gelaat enigszins afgewend van het doek. Hij kijkt naar een punt dat niet zichtbaar is, maar dat wij als toeschouwers makkelijk kunnen aangeven. Hij richt zijn blik naar ons.
Maar wat staat op het doek, waarvan wij de achterkant zien. We denken dat het het tafereel is dat wij ook zien, het prinsesje en de hond en de anderen. Maar schildert de schilder niet ons, die naar het schilderij kijken? Dat kan natuurlijk niet, wij als toeschouwers zijn voor de schilder onzichtbaar. Maar ook het tafereel dat op ons schilderij staat, dat wij zien, is voor de schilder onzichtbaar, hij kijkt naar iets buiten zijn eigen doek.
De schilder duikt op vanachter het doek om daarna weer te verdwijnen achter het doek en zal hij de voorstelling op het doek zien, dat hij schildert. ‘Alsof de schilder tegelijkertijd zichtbaar kan zijn op het schilderij waarop hij is afgebeeld en het doek kan zien waarop hij iets afbeeldt. Hij heerst op de drempel tussen die twee onverenigbare zichtbaarheden.’
‘Van de ogen van de schilder naar datgene wat hij gadeslaat loopt een dwingende lijn waaraan wij, de kijkers, niet kunnen ontsnappen: hij gaat dwars door het echte schilderij, breekt door zijn oppervlak om uit te komen op de plaats van waaruit wij kijken naar de schilder die ons observeert; die denkbeeldige lijn is onontkoombaar en verbindt ons met de voorstelling op het schilderij.’
Waar kijkt iedereen naar? Wie kijkt ons allemaal aan, alsof we gezien worden dat wij het zien, de blikken gaan over en weer en toch ontlopen ze elkaar. Dit wordt uitgebeeld in het schilderij en daardoor zet het schilderij, het kunstwerk, aan tot denken.
