
‘Als ik probeer om jullie op menselijke wijze tot het goddelijke
te voeren, moet dit gebeuren door middel van een of andere
gelijkenis. Maar onder de menselijke maaksels vond ik geen
beeld van de Alziende dat meer met onze opzet overeenkwam
dan het kunstwerk van het gelaat, zo geraffineerd geschilderd
dat het zich gedraagt alsof het alles rondom zich tegelijk
bekijkt. Weliswaar komen dergelijke uitstekend geschilderde
doeken veel voor; bijvoorbeeld dat van de vrouwelijke boogschutter
op de markt te Nürnberg, het zelfportret van de
grote schilder Rogier [Van der Weyden] dat deel uitmaakt
van een zeer kostbaar paneel en in het raadhuis te Brussel
hangt, het schilderij van Veronica in mijn kapel te Koblenz,
het schilderij, in de burcht van Brixen [Bressanone], van de
engel die de wapenrusting van de kerk draagt, en vele andere
overal elders. Maar opdat jullie de proef op de som zouden
kunnen nemen, wat de zichtbare aanwezigheid van zo’n portret
vereist, bezorg ik jullie, beminde broeders, een houten
paneeltje dat ik nog krijgen kon met daarop een portret van
iemand die alles ziet. Zo’n portret noem ik: beeld van God.
Hang het ergens op, broeders, bijvoorbeeld aan de noordelijke
muur, en ga er in een halve cirkel omheen staan; bekijk
het aandachtig, en ieder van U zal ervaren dat, vanaf welk
punt hij dat zelfde portret ook aankijkt, als het ware alleen hij
erdoor aangekeken wordt. Voor de broeder die aan de oostelijke
kant staat zal dat gezicht in oostelijke richting schijnen
te kijken, voor de broeder in het zuiden zuidwaarts, en voor
die in het westen westwaarts.’
Uit Nicolaas van Cusa: De blik van God
