
Een en al oog en aandacht opent het kindergezicht zich voor de ruimte vóór hem. Onmerkbaar wordt het spelende kind in het geluk van het spel een inzicht geopenbaard dat het later tijdens de moeizame lessen op school weer zal verleren; dat de geest op zijn manier zelf in de ruimte is. Of kan men beter zeggen: dat datgene wat ooit geest werd genoemd al van begin af bevleugelde ruimtegemeenschappen betekende?
Het kind dat een geschenk heeft gekregen staat koortsachtig op het balkon en kijkt de zeepbellen na die het uit het kleine lusje voor zijn mond de lucht in blaast. Nu borrelt een zwerm belletjes omhoog, chaotisch vrolijk als een handvol blauwglanzende knikkers. Dan, bij een volgende poging, maakt zich trillend, gevuld met een angstig leven, een grote ovale ballon los van het lusje; hij wordt door de bries meegenomen en zweeft voorwaarts omlaag naar de straat.
De hoop van het verrukte kind volgt hem. Het zweeft zelf met zijn wonderbel de ruimte in, alsof zijn lot enkele seconden lang verbonden was met dat van het nerveuze bouwsel. Wanneer de bel ten slotte na een bevende, uitgerekte vlucht uiteenspat, brengt de zeepbellenkunstenaar op het balkon een geluid voort dat tegelijk een zucht en een jubelkreet is.
Gedurende de levensduur van de bel was de blazer buiten zichzelf geweest, alsof het voortbestaan van de bol ervan had afgehangen dat hij omhuld bleef door een aandacht die met hem mee naar buiten zweefde. Elk gebrek aan begeleiding, ieder verzwakken van het mee-hopen en mee-beven zou het glinsterende ding tot een voortijdige mislukking hebben veroordeeld.
Maar ook wanneer het, ondergedompeld in de enthousiaste bewaking door zijn schepper, gedurende een wonderlijk moment door de ruimte mocht zweven, moest het zich uiteindelijk in niets oplossen. Op de plaats waar de bol uiteenspatte bleef de uit zijn lichaam getreden ziel van de blazer een ogenblik alleen achter, alsof zij zich op een gezamenlijke expeditie had begeven en halverwege haar partner had verloren.
Maar de melancholie krijgt slechts één seconde; daarna keert de speelvreugde met haar beproefde wrede voortgang terug. Wat zijn uiteengespatte verwachtingen anders dan aanleidingen tot nieuwe pogingen? Het spel gaat onvermoeibaar verder, opnieuw zweven de bollen vanuit de hoogte en opnieuw begeleidt de blazer zijn kunstwerken met aandachtige vreugde tijdens hun vlucht door de tere ruimte.
Op het hoogtepunt van het gebeuren, wanneer de blazer verliefd is op zijn bollen als op zelfverrichte wonderen, lopen de opborrelende en wegdrijvende zeepbellen geen gevaar voortijdig ten onder te gaan door een gebrek aan verrukte begeleiding. De aandacht van de kleine tovenaar vliegt hun spoor achterna de verte in en ondersteunt de dunne wanden van de ingeblazen lichamen door haar enthousiaste aanwezigheid.
Tussen de zeepbel en haar blazer bestaat een solidariteit die de rest van de wereld uitsluit.
En terwijl de glinsterende bouwsels zich verwijderen, maakt de kleine kunstenaar zich telkens opnieuw los van zijn lichaam op het balkon om geheel bij de door hem tot bestaan gebrachte objecten te zijn. In de extase van de aandacht is het kinderlijke bewustzijn als het ware uit zijn lichamelijke bron getreden.
Terwijl uitgeademde lucht anders spoorloos verloren gaat, krijgt de ademlucht die hier in de bollen is opgesloten een kortstondig voortleven. Zolang de bellen zich door de ruimte bewegen, is hun schepper werkelijk buiten zichzelf — bij hen en in hen.
In de bollen heeft zijn uitademing zich van hem losgemaakt en wordt zij door de bries bewaard en verdergedragen; tegelijk raakt het kind van zichzelf vervoerd doordat het zichzelf verliest in het ademloze meevliegen van zijn aandacht door de bezielde ruimte.
Zo wordt de zeepbel voor haar schepper tot het medium van een verrassende uitbreiding van de ziel.
Uit Peter Sloterdijk (1998) Sferen 1. Bellen. Microsferologie. pg. 16
Voor verdere info over de cursus; Klik hier
