Mythen structureren nog altijd ons denken

Mythen bieden een mogelijkheid om op de misstanden van onze tijd te reageren, maar tegelijkertijd moet ook onderzocht worden welke schadelijke vooroordelen juist door mythen worden voortgezet. Voor de meer feministische hervertellingen van mythes gaat dat zeker op.
Odysseus is de slimme, de listige, degene die dankzij zijn scherpe geest machten weet te overwinnen die groter en sterker zijn dan hijzelf. Max Horkheimer en Theodor Adorno analyseren in hun boek De dialectiek van de Verlichting (1944) de mythe van Odysseus. Op zijn reis van Troje naar huis wordt de held Odysseus met allerlei machten en krachten geconfronteerd die zijn thuiskomst proberen te dwarsbomen. De Sirenen verleiden hem met hun tovergezang, de lotusbloemeters bieden hem de zalige vergetelheid aan, de heks Circe wil hem als haar minnaar, terwijl ze de andere mannen die haar begeren in varkens verandert. Hij wordt bijna opgegeten door de cycloop Polyphem en platgeslagen door de rotsen Scylla en Charibdis. In al deze situaties probeert Odysseus met slimheid te winnen.
Wanneer Odysseus en zijn makkers in zijn grot gevangen zitten en de Cycloop telkens een paar mannen als ontbijt of avondeten verorbert, probeert Odysseus hem gunstig te stemmen door hem wijn te geven. Polyphem wil zijn naam weten, want dat geeft in de mythische wereld macht over iemand. Odysseus zegt dat hij ‘Niemand’ heet. Hij verloochent zichzelf om zichzelf te redden.

Horkheimer en Adorno interpreteren de zwerftocht van Odysseus als een tocht van de mens die zichzelf wordt, een modern subject wordt. Hij wordt pas een onafhankelijk individu in de confrontatie met de mythische machten. Odysseus staat symbool voor het tijdperk van de Verlichting, dat ontstaat wanneer hij met behulp van zijn listige geest de goden en mythologische figuren onttovert, van hun macht ontdoet en daarmee de overgang voltrekt van de mythische naar de modern-rationele wereld.
De westerse rationele mens moet zijn irrationaliteit onderdrukken, terwijl hij toch ook een irrationeel wezen is. Hij beheerst de natuur, terwijl hij zelf deel van haar is. Om vrij te kunnen zijn, moet hij zichzelf beheersen. Dit is zowel een persoonlijk als een maatschappelijk proces. Vrijheid slaat om in beheersing – van jezelf en van anderen – waaruit de mens zich dan weer vrij maakt. Want ‘het andere’, de menselijke irrationaliteit, laat zich nooit volkomen temmen, evenmin als de natuur of andere mensen. Het ‘andere’ breekt toch steeds weer door, vaak op gewelddadige wijze.
De hyperrationele technologische wereld heeft onmiskenbaar mythische trekken: de dynamiek die Horkheimer en Adorno in de moderne westerse samenleving zagen, namelijk dat beschaving steeds weer omslaat in mythe en vrijheid in beheersing, is herkenbaar in allerlei verschijnselen in de technologische samenleving.
‘Niemand’ beheerst de techniek. Ook het gevaar van hoogmoed ligt steeds op de loer omdat de ‘hybris’ is gedepersonaliseerd en in de technische logica zelf is verankerd. De maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid bij catastrofes, maar ook bij vernieuwing en ontwikkeling van technologie is nauwelijks meer aan te wijzen.
