Van Gogh (1886), Schoenen, Van Gogh Museum, Amsterdam

Heidegger zegt ‘In het schilderij van Van Gogh geschiedt de waarheid.’ 

Wat laat het schilderij zien of wat zien wij in het schilderij? Een paar schoenen

‘Uit de donkere opening van het uitgetrapte binnenste van het schoeisel staart het afmattende van het altijd maar werken. In het onverslijtbaar degelijke van deze zware schoenen ligt de taaie volharding opgehoopt van de langzame tred door de langgerekte en altijd eendere voren van de akker waar een gure wind staat. Aan het leer kleeft het vochtige en vette van de grond. onder de zolen verglijdt de eenzaamheid van de landweg in de schemeravond. in het schoeisel trilt de zwijgende roep van de aarde nog na, haar stille schenken van het rijpende koren en haar duistere weerbarstigheid in het kale braakliggende winterse veld. Door dit tuig waart de gelaten zorg om het dagelijks brood, de woordeloze vreugde de nood weer te hebben doorstaan, de huiver rond de aankomst bij de geboorte en de siddering bij de alomtegenwoordige dreiging van de dood. Aan de aarde behoort het tuig toe en in de wereld van de boerin is het geborgen. vanuit dit geborgen toebehoren komt het tuig zelf pas tot zijn in-zich-rusten.’ uit Heidegger (1950), De oorsprong van het kunstwerk

Heidegger maakt een onderscheid tussen iets opgevat als een ding, of als een tuig (door mensen gemaakt, ergens voor dienend) of een werk, zoals in kunstwerk.

‘Of zouden we inmiddels, als het ware terloops, al iets over het werk-zijn van het werk hebben ervaren? Het tuig-zijn van het tuig werd gevonden. Maar hoe? Niet door een beschrijving en verklaring te geven van werkelijk aanwezig schoeisel; niet door een verslag te geven van de manier waarop schoenen worden vervaardigd en evenmin door rond te kijken hoe schoenen hier en daar werkelijk worden gebruikt, maar alleen door voor het schilderij van Van Gogh te gaan staan. Dit heeft gesproken. In de nabijheid van het werk zijn we plotseling ergens anders geweest dan waar we gewoonlijk zijn.’